Een perenboom plant je het beste in de winter, tussen november en maart, wanneer de boom zijn blad heeft laten vallen en volledig in rust is. In die rustperiode heeft de boom minder stress van het verplanten en kan hij zijn wortels rustig laten groeien voor het voorjaar begint. Hieronder lees je precies hoe je te werk gaat.
De juiste plek kiezen voor je perenboom
Een peer heeft veel zon nodig: kies een plek die minstens een halve dag volle zon vangt. Een zuidgerichte of zuidwestgerichte plek is ideaal. Perenbomen zijn gevoeliger voor vorst dan appelbomen, dus beschutting tegen koude wind is een groot voordeel. Vermijd lage, natte plekken in de tuin waar water lang blijft staan. Dat soort plekken vergroot de kans op wortelrot.
Qua bodem doet een perenboom het goed in een lichte, goed doorlatende grond die toch voldoende vocht vasthoudt. Zware kleigrond werkt minder goed, tenzij je er compost en zand doorheen mengt. Een bodem-pH van ongeveer 6 tot 6,5 is prima. Weet je niet wat de pH van jouw tuin is? Een eenvoudige bodemtest (verkrijgbaar bij tuincentra) geeft snel uitsluitsel.
Perenboom planten: de stappen
Volg dit stappenplan voor een goede start:
- Graaf een kuil die minstens twee keer zo breed is als de wortelkluit en ongeveer even diep. Zo heeft de boom ruimte om wortels te spreiden.
- Meng de uitgegraven grond met compost of tuinaarde in een verhouding van ruwweg één op één. Dit geeft de wortels direct goede voeding.
- Plaats een paal aan de windzijde van de boom voordat je plant. Zo beschadig je de wortels niet achteraf.
- Zet de boom in de kuil op dezelfde diepte als hij in de kwekerij stond. Je herkent dat aan de verkleuring op de stam. Zet de entplaats (de knik laag op de stam) altijd boven de grond, anders groeit de onderstam over en verlies je de voordelen van de onderstam.
- Vul de kuil terug met de grondmix, druk lichtjes aan en maak een kleine aarden rand om de boom heen. Zo blijft water bij de wortels en loopt het niet weg.
- Geef direct water, ook in de winter. Bij droog plantseizoen heeft de boom water nodig om aan te slaan.
- Bind de boom los aan de paal met een zachte band of touw in een acht-vorm. Niet te strak: de stam moet een beetje kunnen meebewegen om sterker te worden.
Afstand tot andere bomen en planten
Houd rekening met de uiteindelijke grootte van de boom. Een halfstam perenboom heeft al snel een kroonbreedte van 3 tot 5 meter nodig. Houd dus minimaal 3 tot 4 meter afstand tot andere bomen of grote struiken. Een leiboom of spilvorm langs een muur of hek heeft minder ruimte nodig, soms maar 1,5 tot 2 meter, en is een goede keuze voor kleinere tuinen.
Perenbomen zijn voor de meeste rassen niet zelfbestuivend. Je hebt dan twee perenbomen nodig die tegelijk bloeien om vruchten te krijgen. Wil je maar één boom planten, kies dan een zelfbestuivend ras zoals ‘Conference’ of vraag bij de kwekerij naar een geschikte bestuiver in de buurt.
Direct na het planten: dit mag je niet vergeten
Dek de grond rondom de boom af met een laag van 5 tot 10 centimeter boomschors of compost. Dit houdt vocht vast, remt onkruid en beschermt de wortels tegen vorst. Laat de mulch wel een paar centimeter van de stam af liggen, anders vergroot je de kans op schimmel en rotting bij de voet van de boom.
Snoei een nieuw geplante perenboom in het eerste jaar licht in om de groei te sturen en een mooie kroonvorm op te bouwen. Verwijder kruisende en naar binnen groeiende takken. Doe dit bij voorkeur aan het einde van de winter, net voor het uitlopen begint.
Met de juiste plek, een zorgvuldig gegraven plantgat en aandacht voor bestuiving geeft een perenboom je na een jaar of drie tot vier de eerste echte oogst. De investering van een goed begin betaalt zich tientallen jaren terug.




