Soorten coniferen: de mooiste dennen voor jouw tuin

Er zijn tientallen soorten coniferen en dennen, van kleine bolletjes tot bomen van tientallen meters hoog. De meest bekende soorten zijn de Pinus sylvestris (grove den), Pinus mugo (bergden), Picea abies (fijnspar) en Abies (zilverspar). Welke soort het beste past, hangt af van de grootte van je tuin, de gewenste vorm en hoeveel onderhoud je wilt doen.

Pinus: de echte dennen in al hun variaties

De Pinus is de meest herkenbare den. De naalden zitten gebundeld in paren of groepjes en de boom draagt kegels. Binnen dit geslacht zijn de verschillen groot. De Pinus sylvestris, ook wel grove den, wordt in de natuur zo’n 20 tot 30 meter hoog en heeft een opvallende oranje-bruine schors in de top. In een tuin groeit hij te groot voor de meeste percelen, maar als solitair op een grote kavel is het een fraaie boom.

De Pinus mugo (bergden) is een heel andere zaak. Deze soort blijft van nature laag en breed. De cultivar Pinus mugo mugo groeit langzaam en compact, vaak niet hoger dan 1 tot 2 meter na vele jaren. Dat maakt hem ideaal voor kleinere tuinen, borders of moderne, strakke tuinontwerpen. Je snoeit hem bij voorkeur in het voorjaar door de jonge kaarsen (de nieuwe uitlopers) voor de helft in te korten. Zo blijft de plant dicht en compact.

Andere interessante Pinus-soorten zijn:

  • Pinus strobus: de weymouthden, met zachte, dunne naalden en lange, slanke kegels. Wordt groot, maar er zijn langzaam groeiende cultivars zoals ‘Radiata’.
  • Pinus nigra: de zwarte den, met donkergroene, harde naalden. Verdraagt droogte en kalk goed, geschikt voor drogere tuinen.
  • Pinus parviflora: Japanse witte den, populair als bonsai of sierden met grijsgroene, gedraaide naalden en een sierlijke structuur.

Picea: de sparren als conifeer in de tuin

Picea (spar) heeft afzonderlijke naalden die direct aan de tak zitten. De Picea abies is de bekende kerstboom. Als tuinboom wordt hij snel groot en breed, wat in de meeste thuistuinen na een paar jaar een probleem geeft. Kleine cultivars zoals Picea abies ‘Nidiformis’ (vogelnestpar) groeien laag en breed, met een komvormig midden, en blijven na tien jaar vaak onder de 60 centimeter. Handig voor rotstuinen of als bodembedekker.

Picea pungens (blauwe spar) valt op door de opvallend grijsblauwe kleur van de naalden. De cultivar ‘Hoopsii’ heeft een strakke kegelvorm en intens blauwe naalden. Deze soort groeit wel tot 10 meter of meer, dus reserveer er ruimte voor. Voor kleinere tuinen is ‘Glauca Globosa’ een betere keuze: een bolvorm die traag groeit en compact blijft.

Abies: de zilverspar met witte onderkant

Abies (zilverspar of Koreaanse spar) onderscheidt zich van Picea doordat de naalden plat zijn en aan de onderkant wit gekleurd. De Abies koreana is veruit de populairste tuinsoort. Hij draagt al op jonge leeftijd prachtige blauwe of paarse kegels die rechtop op de takken staan. De boom groeit langzaam en blijft in een gewone tuin op lange termijn beheersbaar, al wordt hij uiteindelijk wel 5 tot 8 meter hoog. Cultivars zoals ‘Silberlocke’ hebben naalden die naar boven krullen en daardoor de witte onderkant goed laten zien.

Larix: de enige bladverliezende conifeer

De Larix (lariks) is bijzonder binnen de coniferenwereld: hij verliest zijn naalden in de herfst. Daarvoor kleuren de naalden eerst goudgeel, wat een mooi herfsteffect geeft. In het voorjaar komen de zachte, lichtgroene naalden weer terug. De Larix decidua (Europese lariks) wordt groot, maar de treurende cultivar Larix decidua ‘Pendula’ groeit hangend en is geschikt als accentplant in kleinere tuinen, afhankelijk van hoe hij wordt geleid.

Thuja, Chamaecyparis en Juniperus: populaire haag- en sierconiféren

Naast de klassieke dennen en sparren zijn er coniferensoorten met schubvormige naalden die veel gebruikt worden als haag of sierplant. De Thuja occidentalis (levensboom) is een van de meest geplante heesters voor afschermende hagen. Hij groeit snel en is onderhoudsvriendelijk. Nadeel: bij langdurige droogte of vorst kunnen er bruine plekken ontstaan die niet meer herstellen.

De Chamaecyparis lawsoniana (Lawsoncipres) heeft een fijnere structuur en bestaat in tientallen cultivars, van goud tot blauwgroen en van zuilvorm tot breed uitlopend. Let op: deze soort is gevoelig voor de wortelschimmel Phytophthora, die in natte, slecht doorlatende gronden veel schade aanricht.

De Juniperus (jeneverbes) groeit van nature op droge, zonnige plekken. Hij is droogtebestendig en vraagt weinig onderhoud. Juniperus squamata ‘Blue Star’ is een compacte, blauwe bol die langzaam groeit en goed past in rotstuinen of border-accenten. Juniperus scopulorum ‘Skyrocket’ heeft juist een smalle, zuilvormige groei die weinig ruimte vraagt.

Waar let je op bij het kiezen van een soort conifeer of den?

De uiteindelijke hoogte en breedte zijn de eerste dingen om te checken. Veel tuiniers planten een conifeer te dicht bij een muur of ander groen, waarna de plant na vijf jaar al te groot is. Kijk altijd naar de volwassen maat, niet de maat in de pot bij aankoop.

Grondsoort speelt ook mee. Pinus nigra en Juniperus doen het goed op droge, arme grond. Picea en Abies willen liever een wat vochtiger, voedselrijker bodem. Thuja en Chamaecyparis staan het liefst op goed doorlatende grond zonder wateroverlast.

Tot slot: snoei-eisen verschillen per soort. Dennen (Pinus) snoei je alleen in het voorjaar via de kaarsen. Sparren (Picea en Abies) snoei je liever niet in het groeiweefsel, want kaal gesneden takken herstellen nauwelijks. Thuja en Juniperus verdragen regelmatig snoeien en zijn daardoor geschikt als haag.

Kies je soort dus niet alleen op uiterlijk, maar ook op de plek, de grondsoort en hoeveel tijd je wilt besteden aan onderhoud. Dan staat er over tien jaar een conifeer die er nog steeds goed uitziet.